#1: Clémence Ross (transcriptie)

Dit is Leaders in Life Sciences, een podcast waarin we op zoek gaan naar het verhaal achter de mens. We praten met leiders van nu en later over wat hun drijft, hun carrière en privéleven. Want door naar elkaar te luisteren komen we als individu en als sector verder. We willen onze partners hartelijk bedanken voor hun steun, dat zijn Pivot Park en Axon Lawyers.

Te gast in deze aflevering is iemand met een breed cv: voormalig staatssecretaris bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, sinologie, voorzitter van De Graafschap, liefhebster van deep house, en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Nu is ze ambassadeur van het Actieprogramma Nieuwe Kansen voor de Topsector Life Sciences and Health. Het klinkt als een allegaartje, maar niets is minder waar. De verbindende factor is namelijk zorg. Maar hoe ze hiermee in aanmerking kwam was eigenlijk vooral rebellie en niet per se een bewuste keuze. “Maar ik ben doktersassistente geworden omdat ik niet met mijn ouders wilde verhuizen naar Nijmegen, ik had net mijn vriendje leren kennen, met wie ik later ook getrouwd ben, maar ik dacht ‘Ik ga echt niet met jullie mee!'” Als oud-politica weet ze ook als geen ander wat er nodig is om stappen te zetten binnen de sector. “Dat heeft even nog tijd nodig. Iedereen denkt ‘Wij zijn het team’, als de CEO van dat bedrijf naar Pivot Park wil komen maar we hebben ook iemand van Utrecht nodig, dat die persoon van Utrecht ook in Pivot Park komt staan.” Maar om die stap te zetten hebben we wel bewustzijn nodig. “Het is heel fijn dat we allemaal keukenkampioendivisie misschien met elkaar spelen, hartstikke leuke league! Misschien zelfs al wat eredivisieniveau. Maar je wil naar Champion’s League, Olympisch niveau, en dat moet je dan toch met een nationaal team doen.” Veel plezier met het luisteren naar deze aflevering. Te gast: Clémence Ross-van Dorp, uw host is André van de Sande.

André: Welkom bij de eerste editie van Leaders in Life Sciences podcast op het Pivot Park in Oss. Vandaag verwelkom ik Clémence Ross-van Dorp. Je bent ambassadeur van het Actieprogramma Nieuwe Kansen voor de Topsector Life Sciences and Health. Van harte welkom bij ons!

Clémence: Dankjewel!

André: Leuk dat je hier bent en dat je onze gast wil zijn vandaag. Voordat we gaan praten over het Actieprogramma voor de topsector viel me eigenlijk als eerste op dat je een enorm brede en zeker ook lange cv hebt. Je bent ooit begonnen na de middelbare school as doktersassistente, je hebt een lerarenopleiding gedaan, je hebt les gegeven, je hebt daarna nog sinologie gestudeerd. Je bent uiteindelijk in de Tweede Kamer terechtgekomen als staatssecretaris voor VWS. Wat zegt dat allemaal over jou?

Clémence: Als je dat zo opsomt denk je “Die mevrouw wist echt niet wat ze wilde, hoor!” Een andere zou zeggen “Ze is echt generalist.” Misschien past het wel een beetje bij mij. Ik ben een stapelaar. Ik was een hele jonge leerling. Dus ik zat zomaar op de middelbare school ineens. Geen idee allemaal. Dus heel veel ging ook een beetje langs mij heen. Ik ben aan het zoeken geweest “Wat past nou bij mij, wat vind ik leuk?” En dan bleek dat ik een heleboel dingen leuk vind. Maar er zit wel een draad in, er zit een rode lijn in en misschien komen we daar straks nog wel op.

André: Daar gaan we zeker op uitkomen! In ieder geval is een rode draad dat je iets met zorg hebt. Zoals ik al zei ben je ooit begonnen als doktersassistente. Hoe ben je daartoe gekomen?

Clémence: Eigenlijk niet op dat moment omdat ik zoveel met zorg had. Ik moet je wel zeggen, mijn ouders waren vrij regelmatig ziek en moesten in het ziekenhuis zijn. Dus op die manier heb ik wel heel veel met zorg te maken gehad. Maar ik ben doktersassistente geworden omdat ik niet met mijn ouders wilde verhuizen naar Nijmegen. Ik had net mijn vriendje leren kennen, met wie ik later ook getrouwd ben, maar ik dacht “Ik ga echt niet met jullie mee!” Dus ik zocht de eerste beste baan na mijn middelbare schoolopleiding, die ik toen deed, en dat was bij een huisarts.

André: Je komt uit Delft, heb ik gezien, maar jullie woonden toen in Deventer?

Clémence: Ik woonde toen in de Achterhoek. Mijn vader is naar de Achterhoek verhuisd toen hij gepensioneerd werd. Toen dacht hij “Dat is een hele mooie streek, dus daar wil ik mijn oude dag doorbrengen.” Ik was nog jong, dus ik ging mee.

André: En je werd verliefd en bent gebleven.

Clémence: Ik werd ook nog verliefd en ben gebleven. Je zal mij nooit horen zeggen dat ik Achterhoekse ben, ook niet toen ik daar woonde. Maar ik zou wel zeggen “Ik kom uit de Achterhoek”, want om Achterhoekse te zijn moet je er echt wel geboren zijn.

André: Ja, daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Toch heb je op een gegeven moment de stap uit de zorg gezet, richting het onderwijs. Was dat iets wat je van huis uit had meegekregen?

Clémence: Ja, zeker wel. Die baan als doktersassistente heb ik heel erg leuk gevonden en ik vond ook dat ik mijn diploma moest halen bij het LOI, toen mocht je nog in sinaasappels prikken en zo. Dan ben ik ook echt doktersassistente geworden, maar ik dacht “Dat ga ik niet mijn hele leven doen, wat dan wel?” En dat wist ik eigenlijk niet. Ik keek een beetje rond in mijn familie en heel veel familieleden zaten en zitten ook in het onderwijs, van basisschool tot universitair. Ik dacht “Misschien moet ik die kant ook wel op. Wat dan?” Ik vind talen heel fijn, maar ik had me ook ingeschreven voor geschiedenis. Mijn vader was ook historicus, ik dacht “Dat zou het ook kunnen wezen.” Dus toen ging ik in de tijd van experimenteel onderwijs naar de Gelderse leergangen.

André: In Nijmegen?

Clémence: In Nijmegen, ja. Dus toch wel naar Nijmegen, maar ik pendelde heen en weer. Dus ik ben niet in Nijmegen gaan wonen, daar was ik consequent in. Ik was inmiddels met mijn vriend samen. Toen heb ik de lerarenopleiding gedaan. Dat was een interessante keuze, maar in de tijd van experimenteel onderwijs bleek dat toch niet zo bij mij te passen.

André: We hebben het over begin jaren tachtig, en dan ook nog in Nijmegen. Hoe ging dat?

Clémence: Ik heb daar ontdekt dat ik toch echt wel een no-nonsense persoon ben. Ik hou niet van op de grond te moeten zitten omdat ik me, als ik op een stoel zit, verheven moet voelen boven een ander. En dat je elkaar met opgerolde kranten moet willen slaan om je agressie jegens elkaar kwijt te raken. Ook de manier van lesgeven paste helemaal niet bij mij. Ik kreeg dan aangeleerd dat als een leerling niet oplette en uit het raam keek terwijl je iets aan het uitleggen bent, mij werd gevraagd “Wat ga jij dan zeggen?” Ik zei “Let eventjes op!” Dat mocht niet, ik moest dan zeggen “Interesseert het je niet wat ik je te vertellen heb?” Ik was zelf ook leerling geweest, natuurlijk. Ik dacht “Dan is het antwoord ‘nee’, dus wat doe ik daar dan mee?” Of als jongens op het schoolplein aan het vechten waren, wat ik dan moest zeggen was “Jongens, hebben jullie een conflict?” Dat past echt niet bij mij om dat te doen! Dus ik heb die opleiding afgemaakt, ook met veel plezier. Twee derde viel af tijdens de opleiding, maar ik vond het ook sociaal heel gezellig, we hebben heel veel gebiljart en gezellig gezeten in Café Groenewoud. Ik heb echt wel een leuke tijd gehad, en in die tijd ook mijn eerste kind gekregen. Dat kon ook prima tussendoor.

André: Duidelijk een bezige bij! Hoe lang heb je daarna in het onderwijs gewerkt?

Clémence: Eigenlijk niet zo heel erg lang, want ik zocht toch wel naar een echte uitdaging omdat ik ook wel iemand ben die iets wil presteren. Ik wil toch het gevoel hebben dat ik echt iets voor elkaar heb gekregen. Toen dacht ik “Wat dan?” Leraar zijn in die tijd, met wat ik meegekregen had voelde ik mij helemaal niet zo bekwaam na de opleiding. Dus ik dacht “Wat dan?”, en toen heb ik me ingeschreven voor studie Sinologie. Maar het had ook Russisch, Japans of Egyptisch kunnen zijn, maakt niet uit, als het maar ingewikkeld was. Wel een taal omdat ik communicatie heel erg belangrijk vind en cultuur ook.

André: Je wilde vooral jezelf uitdagen?

Clémence: Ja, het moest vooral heel moeilijk zijn. Dat was het wel.

André: Dat was gelukt.

Clémence: Ik ben daarin afgestudeerd op Joined Ventures met China, want ik ben een beetje zakelijk en praktisch. Dus ik heb de management-variant gedaan en dat was echt fantastisch.

André: Heb je daar later in de praktijk nog iets mee gedaan?

Clémence: Ik zou eigenlijk uitgezonden worden naar Beijing om daar een Holland House op te richten, dus voor bedrijven een contactpunt te organiseren en te gaan doceren aan de universiteit van Beijing. Maar dat kwam er niet van op het laatste omdat toen de studentenopstand er was, op het Tiananmenplein. De investeerder trok zich terug voor dat hele project en toen dacht ik “Dan ga ik ook niet wachten”, overigens heb ik tijdens mijn studie Sinologie mijn tweede dochter gekregen en had dus twee kinderen thuis. Ik dacht “Wat nu?” Dan ben ik gaan solliciteren en terechtgekomen bij een Europarlementariër in het Europees Parlement. Daar heb ik toch ook nog wel wat met mijn studie Sinologie kunnen doen omdat hij Buitenlandse Zaken deed.

André: Hoe ben je uiteindelijk zelf in aanraking gekomen met de politiek?

Clémence: Eigenlijk vanuit een bezwaarprocedure tegen het CDA-beleid in mijn gemeente. CDA had daar absoluut de meerderheid, eigenlijk was alles CDA-beleid. We woonden in een hele leuke straat, een weg waaraan het eind een heel mooi park was en nog is. De gemeente had het idee opgevat om in dat park een logerij en spuiterij te beginnen met een dienstwoning.

André: In de woonwijk?

Clémence: In de woonwijk, aan het eind van de woonwijk. Een beetje bij de grens van de woonwijk. Het was best een kinderrijke buurt, we maakten gebruik van dat park, gingen daar vaak met de kinderen naartoe, in de zandbak spelen, allemaal leuk. Dus dat kwam als een hele onaangename verrassing. In het Huis-aan-huisblad stond het aangekondigd en ook daarbij dat als je bezwaar wilde maken, dan kon dat. Ik dacht “Dat ga ik gelijk doen, bezwaar maken. Dat is niet oké.” Ik ben met mijn buurjongen gaan praten, mijn buurman werkte bij de provincie. We hebben samen aan de bezwaarprocedure gewerkt en eigenlijk heeft dat mijn interesse in de politiek gewekt.

André: Waar loop je dan tegen aan? Tegen bureaucratie, regelgeving?

Clémence: Ja, al dat. Maar ook bezwaar maken blijkt buitengewoon ingewikkeld te zijn als je niet hoog opgeleid bent. Ik kan me eigenlijk niet zo goed voorstellen dat je dat dan volhoudt. Dat is erg ingewikkeld. Maar ook de weerstand achter het gemeentelijk loket in die tijd waarbij bezwaar maken toch wel behoorlijk ontmoedigd werd. Ik weet de ambtenaar nog die mij gelijk begon te vertellen hoe hoog opgeleid hij was en hij zag mij met een kind op de arm bij dat loket staan, zo van “Nou, mevrouwtje, wat u denkt u wel te doen?” Dat heeft mij alleen maar extra gemotiveerd. Ik vond het in die hele procedure opvallend dat het ingewikkeld was, dat je er echt niet in ondersteund werd als burger, maar het heeft mij gemotiveerd om iets voor mensen te willen betekenen en te zeggen “Hier wil ik iets mee, dus misschien moet ik zelf iets in de politiek doen.”

André: Je had er ook op af kunnen knappen, natuurlijk. Ik denk dat veel mensen afgehaakt waren na zo’n ervaring. Maar jou heeft het juist gestimuleerd om dat op te pakken en er iets mee te gaan doen.

Clémence: Bij mij is het zo dat als ik weerstand ervaar, dan ga ik echt duwen. Of ik probeer te kijken hoe ik dan een beetje mee kan bewegen, want net zoals met judo, je kan natuurlijk ook iemand vloeren door even mee te bewegen en met een hele goede worp te vellen. Dus als ik eenmaal iets in mijn hoofd heb zitten en ik denk dat het moet en dat het de moeite waard is en ik kan het ook nog met mensen samen doen, dan ben ik heel fanatiek.

André: Dus je maakt bezwaar tegen een procedure onder verantwoordelijkheid van de CDA, vervolgens meld je je aan bij het CDA. Je werd waarschijnlijk met applaus ontvangen, of niet?

Clémence: Nee. Dat was natuurlijk ook niet zo voor de hand liggend, dat ik bij het CDA terecht zou komen. Althans vanuit mijn achtergrond, je noemde al mijn voornamen. Die heb ik natuurlijk allemaal nodig gehad, al die heiligen, om mij te beschermen!

André: Je hebt vier prachtige doopnamen, inderdaad!

Clémence: Heel veel doopnamen, ja. Die doopnamen beschermen mij natuurlijk tegen alle kwaad, denk ik dan. Toen die bezwaarprocedure achter de rug was en de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht kwamen heb ik me verdiept in de verkiezingsprogramma’s en eens gekeken bij welke partij ik me dan het meest thuis voelde. Toen dacht ik “Als ik lees waar ze voor staan bij het CDA past het eigenlijk heel erg bij mij. Ze leveren er wel niet naar, ze doen het wel helemaal niet, maar goed, als ik er nou bij ga zitten, wie weet kan ik daar iets betekenen.”

André: Dat heb je gedaan. Uiteindelijk word je zelfs staatssecretaris voor VWS, nauwe betrokkenheid bij de WMO, hoe is dat destijds in zijn gang gegaan?

Clémence: Als Tweede Kamerlid had ik hele mooie portefeuilles, alle medische en ethische vraagstukken, genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s), allerlei zaken die ingewikkeld waren bleek ik ook in het beleid weer heel leuk te vinden. Als het ingewikkeld is vind ik het echt heel interessant. En ik had er ook niet zo’n heel uitgesproken opvatting over. Dus als je vraagt “Hoe ben je bij de WMO terechtgekomen?”, dan is het ook weer vanuit de zoektocht van “Wat doet er nu toe voor mensen?” en de wet maatschappelijke ondersteuning voor onderstelde ondersteuning. Terwijl in die tijd de gedachte op rijksniveau was om ondersteuning toch echt alleen maar bij gemeenten te laten en dat daar eigenlijk niet zoveel mee moest. Dus ook zeker geen wet, dat leek me geen goed idee in de tijd dat Pim Fortuyn in die tijd liet zien dat er wel degelijk wat los was.

André: Uiteindelijk heb je toch weer besloten om de politiek te verlaten en meer richting maatschappelijke functies te gaan. Wat was de trigger? Was er te veel weerstand of had je het gevoel dat je niet voldoende voor elkaar kon krijgen? Wat was de reden dat je de politiek verlaten hebt op dat moment?

Clémence: Stel dat een zittingsperiode van een staatssecretaris niet maar maximaal vier jaar zou zijn maar langer, wat ik heel erg goed zou vinden, omdat je dan ook echt afgerekend kunt worden op het beleid dat je hebt gevoerd. Soms zit je niet eens vier jaar. Dan valt het kabinet alweer weg voordat je überhaupt iets hebt kunnen doen. Mijn keuze om politiek-bestuurlijk niet verder te gaan zat hem meer in het feit dat mijn partij werd gevraagd door mijn partijvoorzitter “Wij willen graag dat als je weer terug naar de Tweede Kamer gaat. Dus dat je niet gaat besturen, maar dat je naar de Tweede Kamer gaat. Want je bent katholiek en we hebben daar nogal veel protestante mannen en misschien wil jij daar…”

André: Een beetje de balans brengen.

Clémence: Ja. Dat was niet wat ik wilde, want ik heb een fantastische tijd gehad op het departement, echt heel fijn met mijn team gewerkt. Fantastisch, in een moeilijke tijd, veel bezuinigingen. Het was echt niet makkelijk, maar dat was mooi. Dus ik wilde blijven besturen en dat ben ik dus blijven doen.

André: Maar dan buiten de Tweede Kamer.

Clémence: Buiten de politiek en daarna ook echt niet meer in de politiek teruggekeerd. Ik ben ongeveer een jaar geleden voor het eerst weer naar een CDA-bijeenkomst gegaan in mijn gemeente Amsterdam, waar ik nu woon. Dat vond ik zo leuk, allemaal mensen die mij niet kenden. Daar was wel Marnix van Rij die me kon uitleggen hoe het allemaal zat.

André: Nieuwe generatie.

Clémence: Ja, ik vond het geweldig. Mensen die dachten “Wat doet die mevrouw?”, ze kenden me niet. Ik vond het ook heel leuk om iedereen te kunnen vragen “Wat bezielt jou nou om lid te worden van het CDA?” Ik vond het echt heel opbeurend. Dus ik heb daar ook leuke mensen ontmoet en daar heb ik nog een beetje contact mee.

André: Als we even teruggaan naar je jeugd, we hadden het net al over dat echte katholieke nest, de manier waarop je opgegroeid bent en waar je opgegroeid bent. Wat tekende die tijd voor jou in jouw jeugd? Ik probeer eigenlijk een beetje te gaan naar het sporten, want je hebt duidelijk aangegeven dat je heel veel belangstelling voor sport hebt. Je hebt altijd bestuurlijke functies gehad, betrokkenheid bij NOC*NSF, De Graafschap niet te vergeten. Is dat ook iets wat je uit je jeugd hebt meegenomen?

Clémence: Als je het hebt over mijn jeugd en sport, dan is het zo dat er in ons gezin met zes kinderen alle kinderen iets van sport moesten doen. Overigens ook een muziekinstrument bespelen, want dat hoorde bij de opvoeding.

André: Was je voor beide even getalenteerd?

Clémence: Ik was helemaal niet getalenteerd. Ik heb viool gespeeld en klarinet en uiteraard begonnen bij de blokfluit. En sport, ik was een hele jonge leerling, dus klein en dun. Ik werd altijd als laatste gekozen bij gym. Later begreep ik ook dat dat het lot is van heel veel jonge leerlingen want als je echt getalenteerd bent – en dat zie je eigenlijk aan alle uitblinkers – dat zijn zeker niet de hele late leerlingen. Dat zijn leerlingen die toch wat sterker zijn in hun leeftijdscategorie. Maar ik vond het altijd hartstikke leuk, ik was ook triest als ik dan als laatste gekozen werd. Dat in combinatie met het feit dat ik het heel erg leuk vind om dingen te organiseren en met mensen samen iets te doen kwam ik in besturen terecht van sport. Ik heb er altijd van genoten, we zaten op de bank voetbal te kijken. Er was natuurlijk bijna niks op tv, ik ben al 64 dus wat was daar te kijken? Sport, schaatsen, voetballen. Dus we keken altijd voetbal met een pak chips op de bank. Ik ken alle regels heel goed en ik vind het heel leuk, ondanks het feit dat ik het zelf niet goed kan. Wel op het schoolplein nog gekeept en zo. Keeper mocht je dan als meisje wel. Dus ik heb er wat mee, maar meer nog met besturen.

André: Maar ook daar maak je dan eigenlijk meteen een grote stap, je wordt dan voorzitter van De Graafschap, wat toch weer een hele andere omgeving is dan waar je tot die tijd had geacteerd.

Clémence: Ja. Ik ben ook voorzitter van de eredivisie vrouwen geweest en was met de KNVB bekend in het voetbal. De Graafschap had iemand nodig die de relatie met de gemeente wat kon herstellen, daar hadden ze nooit zo’n goede band mee, omdat er een nieuw voetbalstadion gebouwd zou moeten worden. Ik heb wel heel lang getwijfeld of ik het wel zou doen. Want ik wist natuurlijk heel goed dat een vrouw in eredivisie voetbal…

André: Dat is geen makkelijke rol?

Clémence: Nee, als een vrouw de cowboyfilm binnenkomt is het meestal niet de heldin. Maar het is een hele leuke club. Aan de andere kant, als je dan degradeert is natuurlijk maar één iemand de schuldige, die mevrouw, dat was ik. Dus dan ben ik daar weer weggegaan.

André: Dat was het einde.

Clémence: Ja.

André: Dan heb je een heleboel andere maatschappelijke functies vervuld de afgelopen jaren en op een gegeven moment kom je dan toch weer in aanraking met VWS en word je gevraagd om de ambassadeur voor de Topsector Life Science and Health Actieprogramma te worden. Hoe is dat tot stand gekomen, hoe werd je daarvoor gevraagd?

Clémence: Ik kreeg een telefoontje van Janneke Timmerman die het project heeft gemaakt voor haar departement. Een fantastische vrouw. Zij is gepromoveerd, dus daar kijk ik ook altijd tegenop. Dat ben ik helemaal niet. Ze kwam met het verhaal bij me en zei “We hebben gezocht want we willen een ambassadeur voor een programma wat nationale verbinding brengt tussen de regionale ecosystemen, science parks en clusters, en ook kijkt naar wat de komst van EMA naar Nederland voor Nederland kan betekenen. Want we moeten ons nationaal steviger profileren als Nederland. Wil je dat doen?” Toen dacht ik “Waarom ik?” Als je mij nou zou vragen “Waarom moest jij dan?”, ik ben een mevrouw, ik heb al die type onderwerpen gedaan toen ik Kamerlid was en ook als staatssecretaris. Dus ze zoeken waarschijnlijk iemand die een beetje weet hoe dat politiek gaat. Dus ik kwam daar uitrollen en ik vond het een hele eervolle opdracht. Dat is het eigenlijk nog steeds, ik vind het heel boeiend.

André: Het is eigenlijk ook een hele brede opdracht. Je hebt met heel veel spelers te maken, ook heel veel belanghebbenden in dit veld. Hoe pak je dat aan? Hoe begin je aan zo’n brede opdracht? Op een gegeven moment is er een dag één, hoe pak je dat op?

Clémence: Dat dacht ik toen ook. Het is niet de eerste keer dat ik een opdracht heb gedaan voor een minister. Ook in de eerste opdracht heb ik mezelf leren kennen, “Hoe doe ik nou zoiets?” Als je iets wil bereiken met wie dan ook en wat voor opdracht het ook is, en je wil mensen samen laten werken, dan moet je echt kijken waar de beweging al zit. Ik kan er zelf misschien een idee over hebben hoe je met elkaar internationaal moet samenwerken, maar logischerwijze stoot dat dan op weerstand omdat mensen helemaal geen zin hebben om te doen waarvan ik denk dat zij dat moeten doen. Dus dat werkt helemaal niet. En ik ben nieuwsgierig, dus ik dacht “Laat mij nou eens kijken, net als bij de WMO, waar gaat het eigenlijk goed? Hoe kan het nou dat in een aantal science parks en clusters en ook bijvoorbeeld Pivot Park fantastische dingen gebeuren? Hoe komt dat nou tot stand?” Want als je dat weet kan je ook achterhalen en een proces sturen van nationale kracht. Want als dat regionaal lukt… Dus dat ben ik gewoon gaan doen. Ik ben met Janneke op pad gegaan, nog vlak voor covid, en als eerste gesproken met de bestuurders van al die science parks en clusters. Want als er geen bestuurlijk draagvlak is kan je van alles gaan doen, maar het moet bestuurlijk gesteund worden. Dus ik heb gezegd “We gaan een nationaal team vormen, wat mij betreft. Het is heel fijn dat we allemaal keukenkampioendivisie misschien met elkaar spelen, hartstikke leuke league! Misschien zelfs al wat eredivisieniveau. Maar je wil naar Champion’s League, Olympisch niveau, en dat moet je dan toch met een nationaal team doen. Dus ik ben heel erg benieuwd met wie jullie samenwerken, maar in de eerste plaats wil ik weten of hier innovaties zijn en hele mooie dingen die je doet, noem er mij een stuk of vier en vertel me hoe het komt dat die zo goed gelukt zijn.”

André: Als je naar Nederland kijkt zijn wij eigenlijk internationaal gezien een postzegel of misschien wel een hele mooie postzegel, maar toch. We zijn relatief klein. Toch zijn we heel vaak verdeeld, valt mij op. Het is inderdaad niet de enige maatschappelijke propositie, science parken die met elkaar concurreren, datzelfde geldt voor de academische wereld. Er mogen nog wat meer bruggen geslagen worden tussen de academische wereld en de industrie en de overheid. Hoe kijk jij daartegenaan?

Clémence: Het is een heel logisch iets. Op het moment dat je met elkaar in een regio woont en je zit samen in het vak en je wil wat doen, dan zoek je elkaar op. Dus logischerwijze zoekt iedereen elkaar op. Als je bedrijven hebt, universiteiten, gemeenten, wat dan ook, denk je “Die zijn wel goed, we willen het beter doen”, dan ga je daar gewoon voor. Dus dat komt regionaal tot stand. Het heeft ook te maken met als je het why, how, what analyseert, als je kijkt naar het how, hoe doen wij dat dan als Nederlanders? We zijn niet zo super hiërarchisch, we zoeken elkaar op bij mooie dingen en we gaan ervoor. Dat doen we ook internationaal. Dus er zijn een heleboel lijntjes die niet heel erg gedefinieerd worden vanuit al een bestaand proces, mensen gaan dat gewoon doen. Dus dat zijn wij wel. Ten tweede is het zo dat er eigenlijk – zeker als het gaat om het life sciences and health terrein – niet al jarenlang één beleidsvisie is van een aantal departementen die zeggen “Dit willen wij als Nederland, wie doet mee?” Dus dan is het logischerwijze zo dat al die prachtige initiatieven zich regionaal ontwikkelen want er is geen nationale samenhang. Daarvoor was ik er dan, ik breng dat dus aan. Dat heeft wel teweeg gebracht dat departementen nu ook die visie die onuitgesproken was maar een beetje optelsom der delen, die visie wel op papier komt.

André: Sommigen definiëren die propositie weleens als Boston naar de Noordzee, hoe kijk je daartegenaan?

Clémence: Dat vind ik ook wel erg Nederlands, want Boston zal nooit zeggen “Wij zijn het Singapore van Amerika” of zo. 

André: Nee, zeker niet.

Clémence: Maar dat doen wij dus. En eigenlijk is het een heel mooi voorbeeld, als je bijvoorbeeld aan een tafel zit met een minister en je zegt “Wij willen net zo goed georganiseerd zijn als Boston”, maar als propositie om mee te markten, stel ik kom in Duitsland en ik wil daar wat regionale bestuurders en hun bedrijven overhalen om naar Pivot Park te komen, dan kan ik natuurlijk niet zeggen “Je moet naar ons komen omdat we net zo willen zijn als Boston.” Dan zeggen ze “Dan gaan we wel naar Boston.” Dus dat werkt niet zo goed als je een propositie maakt voor je marketing. Maar die ligt er inmiddels wel en die schetst Nederland als een connected metropolis. Dat zijn wij echt, dat geeft ook ruimte aan al die ecosystemen en die clusters. Want we zijn maar die postzegel, maar in alle verbondenheid zijn wij eigenlijk gewoon één regio, één metropolis.

André: Er zijn meer postzegels in Europa, als ik kijk naar Denemarken, Zwitserland, eigenlijk heel succesvol op dit vlak. Waar zit hem dat verschil met Nederland?

Clémence: Er zijn toch altijd cultureel bepaalde dingen, bij oud-sociaal democratisch geleide staten die daar nog een vleugje van mee hebben zie je dat er toch op nationaal niveau wat meer organisatie is of wat meer behoefte om zich ook nationaal te profileren. Bij ons is die profileringsdrang eigenlijk pas ontstaan na de reis naar Boston die gemaakt is met een delegatie waar ook premier Rutte aan deelnam. Onderweg kwamen ze tot de conclusie dat het toch best vervelend is dat je niet één verhaal hebt want je kent elkaar eigenlijk nog niet eens zo goed. Mensen waren in het vliegtuig nog een beetje aan het zoeken van “Wat doe jij eigenlijk?” Dan kom je daar en dan zie je dat Boston zich presenteert als één regio met een klinkend verhaal. Dat weet jij natuurlijk ook, mensen die een beetje rondreizen in de wereld, waarvan je af en toe denkt “Wauw, wat een verhaal!”, maar dat hebben wij ook. Alleen zeggen wij het zo niet. Maar dat viel daar op in Boston, dat we niet dat ene verhaal hadden. Andere landen zijn daar gewoon sterker in en ontwikkelen daar soms dus ook meer kracht. Als ik naar België kijk heb ik weleens gedacht “Het is misschien door het gebrek aan een regering dat het zich daar zo goed ontwikkelt”, dat kan natuurlijk ook. Want daar hebben ze natuurlijk ook een buitengewoon sterk instituut staan. Maar je moet wel vanuit je cultuur kijken en vanuit wat er wel beweegt naar hoe jij kunt intensiveren binnen de mogelijkheden die je hebt. Want er is maar ten dele maakbaar.

André: Dus eigenlijk dat besef van “Wij kunnen onszelf veel beter profileren dan wat we tot nu toe doen.” We hebben eigenlijk heel veel te bieden aan de wereld. Tegelijkertijd, min of meer in dezelfde tijd komt de EMA naar Nederland met een klein beetje geluk voor Nederland. Ik heb begrepen dat dat ook eigenlijk een aandrijver is geweest om te zeggen “We moeten hier veel meer mee gaan doen. We moeten met de komst van EMA naar Nederland iets goeds doen voor de sector.”

Clémence: Ja. En ook uit de Tweede Kamer zie je dan “Het heeft wat gekost, dat moet iets opbrengen.” Dat is toch altijd wat lastig met internationale grote organen die je krijgt, dat kan je ook moeilijk van andere zaken zeggen die we hier huisvesten. Maar natuurlijk betekent het echt iets dat het Europees medicijnagentschap nu in Nederland is want het trekt partijen aan die met EMA werken, die zich bezig houden met regulatory affairs. Dus die komen allemaal naar Nederland, die willen daar dichtbij zitten. Wat kunnen we daarmee? Dus ik ben met Emer Cooke in gesprek gegaan want ik ben ambassadeur. Zij vindt het heel fijn om met iemand die namens de Nederlandse rijksoverheid met haar praat te kunnen praten. Ze zei ook “Dat hebben we in Londen nooit meegemaakt. Er was helemaal niemand die ooit met ons kwam praten.” Haar staf heeft het dan over team ambassador. Dus we zijn ook met EMA in overleg gegaan over hoe EMA ook ons kan gebruiken. Want het is natuurlijk weer heel erg Nederlands om te denken “EMA komt en daarvan gaan wij profiteren.” Het is niet dat we met VOC schepen met de spiegels en kralen uitvaren en met specerijen terugkomen, zo werkt het niet. Het is een relatie opbouwen. Dat zijn we aan het doen en dat resulteert erin dat we met EMA gaan kijken naar hoe Nederland ook een vliegwiel kan zijn, een accelerator, op het gebied van regulatory affairs. Die voor Europa inzichten kan bieden op bijvoorbeeld het gebied van hoe we met onderzoek bij rare diseases ATMPs, kleine cohorten, met elkaar kunnen kijken of we daar bijvoorbeeld met behulp met real data of nieuwe technologieën en aanpassing van regulation toch naar de patiënt in de markt kunnen krijgen op een betere manier. Zoals ik al zei, er zijn zoveel innovaties en we hebben nog een beetje een oude wasstraat waar ze doorheen moeten.

André: We zijn niet het snelste land, wat dat betreft, qua procedures.

Clémence: Nee. Dat heeft ook te maken met dat departementen vaak pas achteraf gevraagd worden “Hier lopen we tegenaan, hier is een hobbel, kun je er iets mee doen?” Dus belangrijk is voor Nederland dat de betrokkenheid van ambtenaren van diverse ministeries, we hebben het gezien bij genetisch gemodificeerde organismen, dat je al aan de voorkant meekijkt met al die partijen uit het ecosysteem die bezig zijn met die vernieuwing, met innovaties “Wat betekent dat dan voor wet- en regelgeving? Wat betekent dat dan voor de randvoorwaardelijke taken, de publieke zaak, die toch wel degelijk bij de rijksoverheid ligt?”

André: Ja, er zit een regulatoire kant aan dat verhaal, natuurlijk. Er zit ook een financiële kant aan dat verhaal: hoe financieren wij innovatie, hoe financieren wij zorg? Hoe voorkom je nou dat dat versnippert?

Clémence: Uit mijn rondgang langs de science parks bleek heel erg duidelijk dat regionaal in het ecosysteem, ook met de regionale ontwikkelingsmaatschappijen, echt gekeken wordt naar “Welke focus kiezen wij?” Als je focus kiest weet ik zeker dat je inzet op kracht. Je kan heel breed gaan, er komen steeds weer nieuwe innovaties, alles gaan we financieren. Dus laat honderd en duizend bloemen bloeien, dat gaan we allemaal financieren. Maar vaak zijn het maar tijdelijke impulsen. Dus het gaat om focus, je moet echt focus kiezen. Dat betekent dus ook nationale focus kiezen. Dat hebben de science parks en clusters ook gedaan, die ecosystemen hebben met mij keuzes gemaakt van “Waarin willen wij investeren?” Daar zijn keuzes gemaakt voor zeven pijlers, die zitten in dat actieprogramma. Maar ook daar is gezegd “Wij kunnen zelf maar ten dele als veld successen organiseren. Je hebt daar ook een grid onder nodig vanuit rijksoverheidsverantwoordelijkheid. Want de optelsom ten dele is niet gelijk nationale kracht.”

André: Het gaat natuurlijk om het bundelen van die kracht, het gaat natuurlijk ook met name om die keuze voor de lange termijn, en niet wat je net zegt “We proberen dit, we proberen dat”, maar daar echt een lange termijn keuze in te maken. Daar moet je de politiek natuurlijk wel in meekrijgen ook.

Clémence: Absoluut. En het is ook een attitude waar je het dan over hebt. Lange termijn betekent support willen geven vanuit kaders. Dus dat betekent wel dat je een beleidsdocument hebt, visie is weer zo’n woord. Maar je moet weten wat je wil, wat de steun is vanuit je beleidskader, wat je mee wil geven aan dat hele veld, van academie tot en met industrie. Want die doen het allemaal met elkaar. Dat stuk komt er dus. Bedrijven gaan geen lange termijn commitment aan wanneer het elke paar jaar anders is. Het lange termijn commitment zie je dus wel op regionaal niveau ontstaan, maar als je met de rijksoverheid praat, we staan er wat dat betreft – als je kijkt naar hoe er naar Nederland gekeken wordt door bedrijven – politiek niet goed op. Ik vind het maar een wankele boel. We worden niet zo leuk afgeschilderd, we willen groot geld verdienen enzovoort, maar dat is dan ook een verkeerd beeld. Dus daar moet je niet zijn. Dus lange termijn commitment is belangrijk om commitment te krijgen uit het veld en lange termijn investeringen te doen. Het geeft ook richting, dus focus, aan “Waar gaan we op inzetten?”, en het geeft aan “Wie doet wat?” Want het Rijk moet investeren in de dingen waar het Rijk over gaat. Voor de volksgezondheid hebben we natuurlijk heel lang geleden riolen aangelegd, het riool. Dat was ook niet via een soort groeifondsmodel waarin je zegt “Iedereen kan intekenen op hoe hij denkt dat te gaan doen en dan ga je dat allemaal doen en aan het eind verbinden we dat met elkaar.” Dat is onhandig, dat doen we ook niet met treinrails. Zo zal je ook naar een gezondheidsdata-infrastructuur moeten kijken. Vanuit het actieprogramma blijkt ook dat er grote behoefte bestaat bij alle regio’s om alle biobanken en cohorten zo veel mogelijk te koppelen. Misschien in een federatief systeem. Als je naar het buitenland kijkt, dan zie je dat sommige buitenlanden daar veel harder lopen, omdat dat soms ook top-down gestuurd wordt. Dat kunnen wij niet kopiëren. Soms omdat een communistisch systeem wegviel, kijk naar Estland. Daar kun je van leren, dan denk je “Als er niks is, ga je dat misschien doen.” Maar we hebben al wat.

André: Waarom lukt het daar wel en waar lopen wij hier vast? Zijn wij te zenuwachtig met regelgeving? Willen we alles dichttimmeren? Waar zit dat verschil?

Clémence: Dat heeft te maken met hoe we de dingen hier organiseren, de rijksoverheid heeft heel veel van zich af georganiseerd. We zijn vaak heel beleidsarm in departementen bezig. Dus op het moment dat je iets wil gaan doen, “We gaan data uitwisselen”, is zoiets disruptiefs als covid heel erg helpend. Dan gaan ziekenhuizen dat in één keer als een dolle doen. Maar als je dat als rijksoverheid had verordonneert, dan was het echt niet gebeurd zonder covid. Dus we hebben het politiek van ons af georganiseerd, ook met de reden omdat je dan als minister minder kwetsbaar bent. Als je ergens aangesproken kan worden, dan een Kamer roepen wat ze wil, maar dan kan je gewoon niet overgaan. Dus dat is aan de ene kant politiek heel veilig, maar als er iets akeligs uitbreekt zoals een pandemie of wat anders, dat kan van alles zijn, dan draai je dus niet aan de knoppen. Er moet dus een goede balans gevonden worden tussen het van je af organiseren en de kracht van het veld benutten. Mijns inziens moeten we dus naar die Nederlandse manier van doen kijken die ons resultaat brengt en dan vind ik het prima. Terwijl het soms wat afstandelijk reageren van de politiek naar de regio’s toe omdat men daar zelfstandig bezig is, dat is jammer. Dat moet je niet doen. Er moet een nadrukkelijke samenwerking zijn, maar iedereen in zijn rol.

André: De term actieplan is al een paar keer gevallen in dit gesprek vandaag. Zou je voor degenen die niet helemaal op de hoogte zijn van de inhoud van dat actieplan een korte samenvatting daarvan kunnen geven?

Clémence: Kort gezegd is het eigenlijk de bestuursagenda van alle ecosystemen regionaal. Daar staat eigenlijk in wat men nodig denkt te hebben om nationaal het Nederlands elftal (of twaalftal, of wat je ervan wil maken) te zijn met niemand op de reservebank.

André: In welke termijn gaan we dat bereiken?

Clémence: Ik heb het ook met hen als een soort dashboard ingevuld, waarvan een aantal delen groen kleuren. Maar er zijn ook nog echt een aantal delen die rood en oranje kleuren. Dat betekent dat als je met elkaar nationale kracht wil ontwikkelen en in de wereld wil concurreren, internationaal echt op de kaart wil staan, dan zullen we echt de basis van het huisje moeten verstevigen zodat het huis stevig blijft staan. Een aantal pilaren die het dak dragen hebben we gekozen en zet daar niet nog in één keer een heleboel pilaren bij of bouw niet allemaal andere torentjes op dat huisje want dan wordt het een heel raar ding. Dus kies, heb focus, zet daarop in, en doe het in samenhang, dus met elkaar. Dat is nog wel fragiel. Ik heb een maandelijks overleg met vertegenwoordigers van science parks en clusters, er zijn ook bestuurlijke diners geweest met DGs van het Ministerie van VWS en Economische Zaken waar de roep om die verbinding tot stand te houden heel erg sterk is. Men zegt ook “Vanuit onze eigen agenda kunnen het beste gewoon met onze regio fijn bezig zijn.” Maar we zien wel dat we ook als regio daar echt wat aan hebben als we nationaal optrekken, dus dat huisje van ons moet straks helemaal groen gaan kleuren en daar moeten we met elkaar op inzetten. Maar het vraagt om wat coördinatie, wat steun in de rug.

André: Toch zijn er natuurlijk ook nog wel wat verschillende regionale belangen, hoe kom je daar overheen? Je speelt daar zelf nog een beetje een rol in om dit soort zaken tot stand te krijgen, hoe sla je die brug en hoe zorg je ervoor dat iedereen achter jou en je actieprogramma gaat aanlopen?

Clémence: Het is hun actieprogramma, dus ik heb er niks aan gedaan. Ik ben alleen maar de coach van het team, ik doe niks. Ik roep iedereen bij elkaar.

André: De rol van de coach is uitermate belangrijk.

Clémence: Wat ik help doen, ik bracht geen geld mee, om maar wat te noemen. Ik zei “Ik heb geen geld. Maar we gaan kijken wat er nationaal kan gebeuren om Nederland te versterken, maar dat versterkt natuurlijk tegelijkertijd de regio’s.” Want wat we nationaal doen, dat dient ook de regionale agenda. Als je kunt benoemen dat de verbinding en de kracht van je resultaat juist komt vanuit de verbinding is er ook alle reden om te verbinden. Dat hebben we met elkaar echt helder gemaakt. We zijn fantastisch in het verbinden om resultaat te halen. Zonder die verbinding, als het bedrijfsleven nergens bij betrokken is kan je wel ophouden. Dus we hebben eigenlijk het proces tot succes met elkaar gedefinieerd, dat is een analytisch verhaal. Waar komt het nou vandaan dat we zo goed zijn? We zijn vaak onbewust bekwaam, want we benoemen het dan niet. We laten ons rustig meevoeren in alle versnipperingen, want dan gaan we maar iedere agenda bij elk departement bedienen omdat we denken “Dat willen ze daar horen” en dan breng je het in je regio wel bij elkaar. Dus iedereen heeft ook benoemd “Dat moet eigenlijk afgelopen zijn, dat is allemaal veel te bewerkelijk.” Als we weten wat we nationaal willen doen om daar kracht te ontwikkelen om ook in je eigen regio sterker te komen staan, dan zullen we het ook met één stem richting departementen moeten praten en hopelijk maken zij met elkaar een steunend beleid. Dat is wat het actieprogramma eigenlijk oplevert en we komen nu in een nieuwe fase dat een aantal acties bij topsector zijn belegd, die kunnen dat verder dragen in publiek-private samenwerking. En natuurlijk een fantastische ontwikkeling die gaande is, is FAST, Future Affordable and Sustainable Therapies.

André: Ja, daar wilde ik nog naartoe. Hoe verhoudt zich FAST ten opzichte van het actieprogramma?

Clémence: FAST is een onderdeel van het actieprogramma, maar als apart traject vormgegeven in een projectvoorstel waar ik niet aan heb gewerkt. Ik ben ook de ambassadeur van de princiepen van FAST, want uiteraard wil iedereen future affordable sustainble therapies, want dat is waar het voor staat. Dus ik hou niet van de afkorting, het gaat gewoon om wat je wil bereiken. Dus dat willen we allemaal, maar hoe bereiken we dat? Dus eigenlijk ben ik ook met de bestuurders en met het hele veld van alle science parks en clusters bezig geweest om te bekijken hoe je nou die affordability en sustainability voor de toekomst kunt veilig stellen. Dus het belangrijkste wat daaruit gekomen is, als je dat wil doen moet je in een expertisecentrum of organisatie met elkaar verbonden zijn. Dus van pharma met tech, met al die partijen samen met academie en veld moet je met elkaar in gesprek zijn om te zoeken naar de best mogelijke manieren van werken. Het eerste document dat FAST opleverde had een wat meer regisserende rol vanuit die rijksoverheid voor ogen. We werken nu een paar jaar met het veld om dat actieprogramma voor elkaar te krijgen, de aansluiting bij het KNAB-rapport wat onlangs verschenen is over een expertisecentrum wat zij voor ogen hebben om te werken aan diezelfde doelstellingen, daar zie je dat het expertisecentrum eigenlijk naadloos aansluit bij wat FAST beoogt te doen en wat vanuit het actieprogramma ook een werkwijze is waarvan het hele veld zegt “Als je dat gaat doen zijn wij erbij.”

André: Goede initiatieven.

Clémence: Heel leuk, heel goed.

André: Dat gaat ook zeker vooruithelpen. Over die industrie gesproken, we zijn hier vandaag op het Pivot Park, het oude terrein van Organon. Dan zijn we bij de industrie, wat doet de industrie nou eigenlijk op dit vlak goed en misschien nog niet zo goed?

Clémence: Als je me vraagt naar de industrie herinner ik me vooral de eerste kennismaking die ik had met de industrie. Sinds de covid-tijd gebeuren heel veel dingen online, voordat covid startte ben ik nog bij een aantal regio’s persoonlijke langs geweest. Ik herinner me nog heel goed het gesprek dat ik had met MSD, met Ben Lucas die hier toen nog was voor MSD. Eén van de eerste zinnen die Ben uitsprak was “Very nice to meet you, but are you also our ambassador? (Bent u ook onze ambassadeur?)” Ik dacht “Hoezo niet?” Maar toen dacht ik ook “Zo leeft dat dus”, ze voelen zich helemaal buitenspel staan, met mijn voetbalachtergrond, ik dacht “Dat kan niet.”

André: Het wordt vaak inderdaad zo ervaren vanuit die industrie, dat er een kloof is tussen de industrie en de overheid.

Clémence: Ja, dat werd mij toen heel duidelijk. Ik dacht “Ik heb het hier over een goed functionerend team wat met elkaar een wedstrijd gaat winnen en één van de belangrijke spelers – want dat hadden we inmiddels achterhaald, voor zover ik dat natuurlijk zelf nog niet wist. Want als je iets naar de markt wil brengen zijn daar bedrijven bij nodig. Dus een beetje raar als één van de belangrijke spelers in het spel steeds buitenspel staat of gewoon niet bij de tactiek betrokken wordt. Dus dat gevoel leeft er. Ik dacht “Dat is niet oké”, dus ik zei “Ja, zeker ben ik jullie ambassadeur en ik ga proberen om dat team echt als team te laten functioneren.”

André: Wat moet de industrie nog beter doen? Want de industrie heeft ook een eigen verantwoordelijkheid, wat dat betreft.

Clémence: Zeker. Ik heb natuurlijk hele goede contacten met de VIG en met Holland Bio, met de koepels. Wat moeten ze zelf doen? Op het moment dat je jezelf buitenspel voelt staan om redenen die je misschien niet zo heel erg oké vindt, kan je natuurlijk de hele tijd gaan zeggen “Ik ben wel heel erg goed en ik doe er heel erg toe.” Alleen, als dat steeds maar alleen over jezelf moet zeggen, helpt dat niet echt. Dus dat heb ik hen ook meteen gezegd. Als je vindt dat ik niet deug en ik ga tien minuten tegen jou aanpraten dat ik wel heel erg deug, dan denk je echt na die tien minuten “Ze deugt echt niet, want ze had er echt veel woorden voor nodig.” Dat is helemaal niet oké. Dus ik heb ook gezegd “Ik ga er proberen voor te zorgen dat iedereen gaat inzien dat je een heel belangrijk onderdeel bent van het succes van Nederland en dat je dus niet buiten beschouwing kunt worden gelaten en ik ga ervoor zorgen dat net zoals in Boston, want daar kijkt het bedrijfsleven natuurlijk heel graag naar, als wij een podium hebben hier ook de CEO van een mooi bedrijf naast die professor op het podium komt te staan en dat ze beide met elkaar enthousiast zijn.” En zo ver zijn we nu. Daar ben ik heel trots op, dat dat dus gelukt is.

André: Je had het eerder over besturen en communicatie. Eigenlijk zouden we misschien veel meer naar gezamenlijke communicatie toe moeten groeien?

Clémence: Wat het meeste verbindt is waar je het voor doet. Voor die patiënt, voor die mensen die je beter wil maken met kwaliteit van leven en in die samenleving actief wil houden, daar doe je het allemaal voor. Daar is geen verschil van mening over. Toen ik eerst bij de departementen binnenkwam was ook mijn eerste zorg “Laat de departementen ook met elkaar dezelfde taal gaan praten.” Toen ik de opdracht aanvaardde zei ik “Het eerste wat ik wil gaan doen is even een avondje met een hapje eten met ambtenaren van beide departementen die zich hiermee bezighouden.” Dat was klaarblijkelijk een nogal apart verzoek. Het duurde erg lang voordat dat mocht. Ik geloof dat we allemaal maximaal twee glaasjes wijn mochten drinken, niet dat we ons allemaal een stuk in de kraag wilden drinken, maar het was wel strak afgebakend. Maar dat was een erg leuke avond, dat kon toen nog live. Daar begint het over taal, hoe kijk je tegen de sector aan, hoe kijk je tegen het bedrijfsleven aan? Omdat Life Sciences and Health niet een beleidsterrein en omdat Life Sciences and Health niet beschikte over een beleidsvisie van de diverse departementen waar je al in kon lezen dat dat hele ecosysteem, inclusief bedrijfsleven, zo belangrijk is zie je ook dat in departementen dit verhaal van Life Sciences and Health soms bij een directie belegd is. In het geval van VWS natuurlijk bij de directie geneesmiddelentechnologie (GMT), en daar gaat het over prijs. Dus als je mensen die over prijs gaan in de voorhoede zet van degenen die praten over de betrokkenheid van pharma weet je natuurlijk dat ze gaan praten over prijs. Dat is niet heel erg verbazingwekkend. Maar nu is prijsonderhandeling meestal het sluitstuk en hopelijk blijft dat ook altijd zo. Als je een product maakt, en of dat nou iets in pharma is of in medische biotechnologie, kan niet aan de voorkant al heel goed vertellen wat het gaat kosten voordat het klaar is. Wat je wel met elkaar kunt doen is – en daar gaat de industrie blij mee zijn en aan wennen – dat ook in dat expertisecentrum wat er komt ze aan de voorkant mee gaan denken over beleid en over “Hoe doen we het met elkaar op de meest slimme manier?” Want we doen het voor die patiënten.

André: En dus veel geïntegreerder gaan samenwerken.

Clémence: Ja. Dan is het dus wel belangrijk dat je niet al gelijk vanuit koepels gaat zitten, want koepels moeten met hun achterbannen praten en dan zie je vaak dat het heel lang duurt. Dan kun je heel lang vergaderen. Wat heel belangrijk is, is dat je de experts uit de verschillende velden bij elkaar aan tafel zet en in een perpetuum van het zoeken naar de best mogelijke oplossingen zet. Dan kan het best zijn, iedereen moet open kaart spelen, iedereen moet respect hebben voor elkaars agenda. Het zou toch raar zijn als een bedrijf geen winst wil maken. Maar Big Pharma heeft er ook oog voor dat als je voor kleinere cohorten iets wil doen dat misschien helemaal niet bij hun hoort, maar dat je nieuwe verdienmodellen moet verzinnen en dat je moet bekijken of ook niet startup en scaleups in deze sector geholpen moeten worden om daar wel mee te werken. In plaats van buitenspel staan moet de industrie echt aan tafel, maar vanuit de gezamenlijkheid.

André: Ja, daar ben ik het van harte mee eens, inderdaad. Daar kunnen we in Nederland nog een heleboel winst boeken. Als ik naar het Actieprogramma kijk en waar het zich op richt, dan gaat het uiteraard over gezondheid, gezondheidszorg. Het gaat ook over de economische belangen van Nederland. Maar er is ook nog een derde component waar we het nog niet over gehad hebben, en dat is een stukje duurzaamheid. Hoe zie je dat in je relatie tot de andere twee componenten?

Clémence: Het heeft verschillende gezichten. Duurzaamheid als begrip is gelukkig ingeburgerd in alle geleidingen van het hele ecosysteem hier. Maar dan moet je dus oppassen dat het niet een dooddoener wordt. Wat doet men daar dan aan, aan duurzaamheid? Duurzaamheid betekent dan dus ook dat we echt lange termijn perspectief met elkaar schetsen. Duurzaamheid creëer je niet overnight. Soms kun je iets doen in duurzaamheid in je processen, als het gaat over afval, waste, je kunt een heleboel dingen in je productieproces organiseren waardoor je bezig bent. Maar ook dat, als je dat in een bedrijf wil doorvoeren heb je dat niet 1-2-3 gedaan. Dus echt beleid wat je gewoon consequent moet blijven voeren. Duurzaamheid zit hem ook in internationaal connected zijn. Want we zitten hier niet in ons eentje duurzaam te wezen, dus we moeten dat met elkaar doen en ik vind dat daar ook Nederland echt slagen moet maken op het moment dat we echt goed internationaal ervoor willen staan. We moeten eigenlijk in dat hele internationale ecosysteem met elkaar optrekken en ook op Europees niveau bondjes sluiten. Dus niet allemaal ieder voor zich, maar ook weer vanuit een nationaal perspectief.

André: Wanneer ben jij tevreden met die programma, met de uitrol van het Actieprogramma? Wat is het moment dat je zegt “Als we dat bereiken hebben we het echt voor elkaar gekregen”?

Clémence: Ik denk dat ik heel erg blij zal zijn wanneer de coördinerende rol die ik nu heb helemaal niet meer nodig is. Omdat niemand dan meer zal zeggen “We hebben een onafhankelijke voorzitter nodig, iemand die helemaal onafhankelijk is, die ons bij de hand houdt en bij de nationale agenda vasthoudt.” Als mensen gaan zeggen “Dat is ons zo eigen geworden, het is hartstikke leuk als jij er ook nog bent, Clémence, maar misschien is het leuk dat je ons vertegenwoordigt in het buitenland.” Mijn overbodigheid, daar zou ik heel blij mee zijn. En als je kijkt naar wat Carmen van Vilsteren als boegbeeld van de Topsector kan doen, er zijn zoveel mensen die dat al dragen. Maar net dat stuk nationaal samen optrekken, dat heeft nog even tijd nodig totdat iedereen denkt “Wij zijn het team.” Als de CEO van dat bedrijf naar Pivot Park wil komen, maar we hebben ook iemand van Utrecht nodig, dat die persoon van Utrecht ook in Pivot Park komt staan en zegt “Ik ga net zo hard Pivot Park komen enthousiasmeren voor Pivot Park als dat ik dat voor mijn eigen science park zou doen in Utrecht.”

André: En als dat klaar is, dan ga je weer terug naar de sport of naar de politiek? Of wordt het gewoon weer iets heel anders?

Clémence: Eigenlijk geen flauw idee. Ik vind het heel erg fijn om iets mooi af te ronden, maar ik ben me er ook van bewust dat dit gewoon een opdracht is en dan kijk ik wat op mijn weg komt. Ik ben eigenlijk een heel tevreden en gelukkig mens. Ik woon op een flatje van 42 vierkante meter in Amsterdam, dat is heel erg klein.

André: Meer heb je niet nodig om gelukkig te zijn.

Clémence: Mijn dochters zitten in het buitenland, ik reis graag en als ik ergens nuttig kan zijn, dan overweeg ik dat weer. Je telt je zegeningen. Ik ben een heel gelukkig mens.

André: Mooi! Je noemt je dochters, we hadden het eerder over muziek en muzikaliteit. Je bent er niet mee doorgegaan, in ieder geval. Maar je dochters wel, die hebben wel iets met muziek. Deze opname komt uiteindelijk op Spotify terecht, ik begreep dat één van je dochters bij Spotify werkt?

Clémence: Zeker, ja. Een dochter van mij werkt al een aantal jaren bij Spotify. Dat is wel leuk, zij is de technische dame van de drie dochters. Dat vind ik erg leuk. Mijn jongste dochter zingt, ze is zangeres en eigenlijk komt dat niet zozeer door mij, maar misschien wel meer door mijn overleden echtgenoot, die is bijna vier jaar geleden overleden en hij was ook niet echt een musicus, maar hij was ook gek op muziek. Dus de kinderen zijn echt opgevoed met allerlei nieuwe trends in muziek. Als je dan iets in je vak gaat doen, de ene heeft veel talent om te zingen en zangcoach te zijn en dat komt van die kant. Maar ook mijn technische dochter vindt dat gewoon een fantastisch product.

André: Dus die liefde voor muziek heb je in ieder geval doorgegeven aan je kinderen. Je bent zelf ook een groot muziekliefhebber, waarschijnlijk?

Clémence: Zeker, ja. Ik vind het heel leuk. Ik hou van meer de deep house, ik hou van heel veel. Overigens ook van klassiek, maar ik hou van heel veel nieuwe muziekstijlen. Als ik in de Cariben ben, waar twee van mijn dochters wonen, vind ik het natuurlijk ook heerlijk om een avond naar Reggae te luisteren. En, nog leuker, om naar een optreden van mijn dochter te gaan. Ik vind dat heerlijk. Dat is een beetje wat bij je stemming past, en soms ook keihard. Ik vind bijvoorbeeld Black Coffee ook heerlijk om naar te luisteren. Maar ook de oude Stones en als ik heel sentimenteel ben zet ik iets heel zieligs op, mooie zielige muziek. Dus ik vind het heerlijk. Ik mag blij zijn dat ik gezond ben en als ik kijk – we hebben het over gezondheid – wat dan belangrijk is, ook naar de ziekte van mijn man die een hele bijzondere ziekte had en in één keer ziek werd en nog tweeënhalf jaar leefde en met experimentele behandeling een heel mooi jaar heeft gehad. Positivisme in het leven en zorgen dat je de mooie dingen ziet, dat is echt één van de allerbelangrijkste dingen. Ik vind het fijn dat ik dat mag hebben. Dat maakt dat je ook de zon kan zien, ook al is het misschien een beetje duister, en dat je mensen kan blij maken met samen naar iets moois zoeken.

André: Dat is een mooie conclusie voor ons gesprek van vandaag, zou ik zeggen! We komen een beetje aan het eind van dit gesprek, van deze podcast. Zijn er nog onderwerpen die ik niet benoemd heb, of waarvan je zegt “Daar zou ik toch nog even aandacht voor willen vragen”?

Clémence: Nee, misschien om af te sluiten, wat mij opvalt is dat de bezieling in dit veld niets te maken heeft met geld. Wie ik ook spreek doet het voor de mensen met wie ze bezig zijn, met hun werk. Dat is waar ze het voor doen. Dat is geen dooddoener, maar dat houdt iedereen ook verbonden. Dus op een moment dat je mensen meemaakt die dat niet hebben, daar kun je beter geen zaken mee doen. Want dat gaat ons nationaal niet helpen. Dat is waar je op aanspreekbaar bent, wil je iets voor de mensen voor elkaar krijgen, wil je het ook zo voor elkaar krijgen dat ze straks niet twee derde van hun inkomsten aan de verzekering betalen omdat het anders gewoon niet meer te bekostigen is, wil je ze naar crowdfunding sturen of wil je het ook samen nog met elkaar doen? Dat is wat ik in dit veld zo fantastisch vind, daarom vind ik het heel erg leuk. Dan ga ik op enig moment persoonlijk met nood waarschijnlijk een keer afscheid nemen, maar tegelijkertijd denk ik “Daar ben je graag onderdeel van.” Dat maakt succes.

André: Ik vond het erg leuk om te horen hoe gepassioneerd je over het veld en over het Actieprogramma kunt vertellen. Ik wil je heel graag bedanken dat je bereid was om aan te schuiven bij deze eerste podcast van Leaders in Life Sciences. Ik hoop nog veel van je te horen hierna!

Clémence: Dankjewel en heel veel succes en nog heel veel leuke en goede podcasts gewenst!

André: Gaan we doen!

Dit was Leaders in Life Sciences, dankjewel voor het luisteren. Vond je iets van deze aflevering? Wij ontvangen graag jouw feedback. Wat houdt bijvoorbeeld jou bezig en over wie wil je meer horen? Laat het weten via een Apple of een Google review of stuur een berichtje via social media of natuurlijk gewoon per mail. Onze waardering is groot. Tot slot, nog dank aan onze partners. Dat zijn Pivot Park, Leaders in Finance en Axon Lawyers.

Recente reacties